Wettelijke termijn Wfsv is fataal

 
Printervriendelijke versie

Doordat de wetgever niet heeft gekozen voor een soepele indieningstermijn van de garantieverklaring is de in de wet gestelde termijn een fatale termijn. Door de garantieverklaring niet tijdig in te dienen, heeft de Belastingdienst het eigenrisicodragerschap terecht beëindigd.

Een werkgever was tot 31 december 2016 eigenrisicodrager voor de WGA. De Belastingdienst heeft hem op 5 juli 2016 geïnformeerd, dat als hij zijn eigenrisicodragerschap wilde voortzetten er uiterlijk op 31 december 2016 een nieuwe garantieverklaring moest zijn ingediend bij de Belastingdienst. Omdat de werkgever niet tijdig een nieuwe garantieverklaring had ingediend, heeft de Belastingdienst bij beschikking van 3 februari 2017 zijn eigenrisicodragerschap beëindigd. De werkgever heeft op 14 februari 2017 alsnog een nieuwe garantieverklaring ingediend en met ingang van 1 juli 2018 heeft de Belastingdienst de werkgever weer als eigenrisicodrager aangemerkt. Voor de rechtbank is in geschil of het eigenrisicodragerschap van de werkgever terecht per 1 januari 2017 is beëindigd. De rechtbank overweegt dat een werkgever die eigenrisicodrager wil worden voor de WGA op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) een garantie van een bank of een verzekeraar moet overleggen. Levert een werkgever de garantieverklaring niet tijdig aan, dan kan hij geen eigenrisicodrager worden of, in dit geval, blijven. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever niet heeft gekozen voor een soepele indieningstermijn. De in de Wfsv genoemde termijn is daarom een fatale termijn. Het ontstaan van mogelijke belemmeringen of moeilijkheden die daardoor zouden kunnen ontstaan bij de herstel- of re-integratiebegeleiding van werknemers, zoals de werkgever aanvoerde, moet de wetgever hebben onderkend. De termijnoverschrijding bij de werkgever was zo aanzienlijk dat de rechtbank het beroep van de werkgever ongegrond verklaarde.

Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 19-3-2019